Rasinformatie en Artikelen

Informatie over het ras en interessante artikelen
De Blaarkop is een ras met een rijke historie. Daar is al veel over geschreven en daar valt nog veel over te schrijven. Bent u op zoek naar informatie over het ras, dan kunt u diverse artikelen en rapporten raadplegen en andere teksten die u hieronder aantreft (even doorscrollen naar beneden). Zie ook bij het submenu ‘Blaarkopverenigingen’ (over het ontstaan / historie) en informatie/artikelen over diverse blaarkopbedrijven. De Blaarkop heeft een paar toepasselijke bijnamen: vroeger al werd het ‘de koe in jacquet’ genoemd vanwege de chique uitstraling van het haarkleed, en sinds enkele jaren wordt ze ook heel lovend ‘de smakelijke polderpanda’ genoemd vanwege de ietwat op een panda gelijkende kop en de prima vleeskwaliteiten.

RASEIGENSCHAPPEN:
Binnen het Blaarkop ras is vrij veel inteelt toegepast, zonder problemen. De Blaarkop kent geen specifieke erfelijke gebreken (en heeft daarmee een groot voordeel t.o.v. HF). De Blaarkop is een middelgroot ras. De hoogtemaat van een volwassen koe is ca. 135 cm (een variatie van 130 tot 145 is normaal). Kleinere koeien komen af en toe voor. De grootste raszuivere blaarkop anno 2010 meet 150 cm en is daarmee wellicht de grootste sinds 1900. Dat de Blaarkop steeds ‘kleiner’ zou worden, is een fabeltje. In verhouding tot de HF lijkt dat misschien wel het geval, maar de realiteit geeft aan dat het in werkelijkheid niet zo is. Melkveehouders met blaarkoppen zien graag een koe van ca. 140 cm. (‘Groter hoeft niet’ zeggen ze).
Een blaarkopstier is op eenjarige leeftijd ongeveer 128 cm. Een volwassen stier meet tussen 145 en 155 cm.
Blaarkoppen zijn overwegend laatrijp; ze groeien lang door, en zijn slow-starters qua melkproductie. Vaarzen zijn soms nog ‘vaarsjes’ maar zijn als volwassen koe van geheel ander formaat.
Het lichaamsgewicht van een volwassen koe is ongeveer 600 kg levend gewicht. Volwassen stieren kunnen zeer zwaar worden (meer dan 1000 kg is geen uitzondering). Blaarkoppen zijn goed bespierd en hebben lichte botten. Daardoor blijft er bij het slachten relatief veel vlees over, en scoort de blaarkop daarbij zeer gunstig t.o.v. andere rassen. Vooral op de rug en lendenen heeft de blaarkop mooi vlees, maar ook de dijen zijn veel breder dan bij de HF. De kwaliteit van het vlees is zeer goed; iets gemarmerd. Bij het voeren van veel maïs kan een blaarkop vervetten. Een blaarkop doet het goed op gras en kuilvoer.
De Blaarkop is een ‘dubbeldoelkoe’; zowel geschikt voor een goede melkproductie als voor goed vlees.
De productie van een volwassen koe kan goed 7000 kg melk zijn, en 9000 kg of meer komt ook voor. Het vetgehalte is ongeveer 4.45% en het gemiddelde eiwitgehalte ongeveer 3.60%. De blaarkop wordt veel gebruikt op biologische bedrijven en bedrijven met een vrij sobere bedrijfsvoering, mede daardoor blijft het rasgemiddelde achter bij andere rassen.
Blaarkoppen hebben een goed aanpassingsvermogen. Bij wisselende omstandigheden houden ze zich goed staande. Ze zijn goed geschikt als zoogkoe en natuurbeheerder. Ze vreten zelfs Berenklauw en ander ‘ruw’voer. Ze kunnen met gemak meer dan één kalf grootbrengen en zijn niet eenkennig naar andere kalveren dan hun eigen. Ze kalven gemakkelijk af (gemiddeld <5% moeilijke geboorten) – de draagtijd is gemiddeld ca. 276 dagen en het geboortegewicht ongeveer 35 kg – en worden vlot drachtig, mede omdat ze goed conditie houden. Tweelingdracht komt bij blaarkoppen niet veel voor.
Blaarkoppen hebben een rustig karakter en zijn goed benaderbaar en aanhankelijk. Soms kunnen ze wat eigenzinnig en stug zijn, maar zelden nerveus.
De melkbaarheid is goed. Bij hoge producties worden de uiers nog wel eens wat diep. Doordat de blaarkop meer bevleesde dijen heeft (evenals ook de MRIJ) is de achteruier wat lager aangehecht en is de uier iets meer naar voren geplaatst. Het celgetal bij de blaarkop is gemiddeld hoger dan bij de HF, zonder dat de blaarkop specifiek meer uierontsteking heeft.
De benen van de blaarkop zijn vierkant geplaatst met vrij veel ruimte (voor de longen) tussen de voorpoten. De benen zijn achter recht (en zeker niet sabelbenig). Steile achterbenen komen nog wel eens voor, zonder dat dat direct problemen geeft. De klauwen zijn vaak gepigmenteerd en hard. Klauwproblemen komen daardoor minder voor dan bij veel andere rassen.
De blaarkop heeft een mooie sprekende vierkante kop; geen lange kromme neus of smalle kop. De horens zijn overwegend niet erg groot en mooi gekromd (druiphoorn), soms komen zeer kleine horens voor, soms slappe horens. Ook komen wat wijduitstaande horens voor.
De blaarkop heeft fijner haar dan veel andere rassen (HF/FH/MRIJ e.a.). Dit fijnere haar zorgt voor een dichtere vacht, soms zelfs wollig. Dit maakt dat ze kouder weer goed kan doorstaan. De haarkleur van een zwarte blaarkop is vaak iets bruinig getint. Dit heeft niets met een eventuele roodfactor te maken. Een blaarkop die meer blauwzwart is heeft nog wel eens wat ‘bont’ bloed in het voorgeslacht. Bij de rode blaarkoppen komen verschillende kleurvarianten voor van vaalrood tot donker roodbruin. ‘Appeltjes bont’ of ‘tijgerbont’ komt ook voor. Roodblaren hebben soms ‘sproeten’ in het wit op de kop. Ook komt bij roodblaar iets meer ‘kleuronvastheid’ voor in de vorm van hoge witten benen, veel wit aan de buik en witte haren in de nek. Ook dit hoeft niets met rasonzuiverheid te maken te hebben. Bij de kleurvererving is zwart dominant over rood. Er zijn veel zwartblaren met de roodfactor en zodoende kunnen twee zwartblaren een rode nakomeling krijgen. Via DNA-onderzoek is vast te stellen of een zwartblaar dier de ‘roodfactor’ heeft. Anno 2012 is ongeveer de helft van de blaarkoppen zwartblaar en de helft van de blaarkoppen roodblaar.

Qua aftekening geldt als kleurstandaard: blaren om de ogen; groot en/of klein mag evenals los en/of vast. Een bles is niet gewenst. De kruin mag wit zijn maar bijvoorkeur zwart(of rood); soms iets aflopend naar één kant (scheve muts). Aan de poten voor en achter sokjes is mooi, maar dikwijls is er weinig wit bij de klauwen aan de voorpoten. Achter zijn er vaker duidelijk sokjes, vaak niet aan beide benen gelijkmatig, of beperkt tot een beetje wit boven de kroonrand. Hoge witte benen tot de hak zijn minder gewenst. Dat duidt vaak (niet altijd) op ‘bont’ bloed in het voorgeslacht. Aan de buik doorlopend tot het kossem wat wit, evenals aan de uier. Graag ziet men een donkere neusspiegel, heel soms is de neusspiegel in meer of mindere mate licht/blank.

HAARKLEURVERERVING: zie onderstaand artikel uit De Keurstamboeker 1955

Haarkleurvererving

Productie-informatie blaarkoppen:
2012-2013: Blaarkopproducties_nader_bekeken_2012-2013
2011-2012: Blaarkopproducties_nader_bekeken_2011-2012
2010-2011: Blaarkopproducties_2010-2011

Rapporten van onderzoeken (studie-opdrachten e.a.):
Rapport Blaarkoppen in het Groene Hart (Blaarkopstichting / CLM 2009): EINDRAPPORTAGE_GroeneHart

Onderzoek Theus de Ruig i.o.v Blaarkopstichting m.b.t. ‘de gewenste Blaarkop’: ThdeRuigAfst2006

Onderzoek naar bloedgroepen door Johan van Bemmel en Lea Alves (2008): BloedgroepenVerslag

Brochure n.a.v. Eurecaproject 2008/2009(uitgave WUR): EurecaBlaarkopBrochureNederlands2009

Rapport Inventarisatie onderzoek LEI/CREM Biocom/Kruidenier (2010): BiocomKruidenierRapport

Blaarkoppen in te vernatten gebieden: Businesscase_Blaarkoppen_in_te_vernatten_gebieden

Eurecaproject Consumentenonderzoek (2010): EURECA_ConsumentMarktBlaarkop

Oriëntatiestage van Kirsten Ketel (CAH 2007): Fokprogramma_Kirsten_Verslag

Artikelen e.a.:
Historie: Vorm_en_verrichtingen_100_jaar_NRS_1974

Veeteelt sept. 2014 reportage melkveebedrijf Petra Schaars-Ankersmit Verknocht aan Blaarkoppen, veeteelt 2014

Veeteelt april 2003 ‘Blaarkop bekeken’ (economische vergelijking): ArtVeeteelt_Blaarkoppen_bekeken

Folders:
Flyer 2014: Blaarkop_flyer_2014
Algemene folder over blaarkoppen (Blaarkopstichting): FolderBuitenzijde en FolderBinnenzijde

Folder van het BRS febr.2009 (stiereninformatie e.a.): BRS-Vivax-blaarkopfolder2009