De Witrik koe

De Nederlandse witrug, witrik, ruggeling of aalstreep is geen ras in de zin dat de kleurtekening van het dier altijd vererft. Het is een kleurslag, dat wil zeggen dat de kleurtekening soms vererft, soms niet. Bovendien is er grote variatie in de kleurtekening Er zijn dieren die de witrik aftekening op een egaal haarkleed hebben, naast symmetrisch gespikkelde dieren en bijna witte witrikken met alleen gepigmenteerde oren en wat gevlekte poten. Voor goed beeld van de mogelijke haarkleed kijk onder kopje foto’s.

De witrik komt in heel Nederland voor. Maar van oudsher trof men de kleurslag het meest in Friesland en Zeeland, op de Hollandse eilanden en de West Betuwe. In de tweede helft van de twintigste eeuw ziet men het kleurslag ook steeds meer in de andere provincies. Ook in de Verenigde staten komen witruggen voor. Daar worden ze vetrix genoemd, of linebacks. Het witriktype is elders als ras bekend als Vogezenrund, Ferrandaise, Pinzgauer, Longhorn, Irisch moiled, Fjall vee.

De kenmerken van de ideale witrik zijn: een witte aalstreep over de gehele nek en rug , deze aalstreep moet ter hoogte van de lendenwervels de breedte van die lendenwervels hebben; een witte staart; een witte onderzijde; en bij voorkeur een gespikkelde kop.

Stichting “de Witrik” maakt onderscheid tussen het “Oude type’’ dat maximaal 1,40 m. hoog is een ruime voorhand en weinig openheid heeft en een middelzwaar bespierd is, en de overige types , die de goede kleuraftekening hebben, maar meer melktypisch zijn en denk dan aan holsteiners of te vleesrijk zijn en dan zijn het veelal verbeterd roodbonten.

De witrik heeft oude papieren. Van een gerechtelijke verkoping in Monnikendam in 1344 weten we dat er negen zwarte witrikken , twee rode en een witte witrik verkocht werden. Ook op middeleeuwse schilderijen [Gerard Dou, Potter] komt de witrik voor. Zo moet het kleurslag eeuwenlang een belangrijk deel van de Nederlandse veestapel hebben uitgemaakt. Bij de invoering vande Nederlands Rundvee Stamboek [1874] en het Fries Rundvee Stamboek [1879] werd echter gekozen voor slechts drie rundveerassen: de zwartbonte, de Roodbonte MRIJ en de blaarkop. Witrikken, valen en baggerbonten werden niet erkend, en witrikstieren mochten niet meer worden gehouden. Maar omdat boeren, overtuigd van de goede productie-eigenschappen van de witrik het dier min of meer in het geheim hielden, stierf het kleurslag niet uit. In de jaren vijftig van de vorige eeuw keerde het tij. Onder de inspirerende leiding van Willem Geldof uit Papendrecht kreeg men het voor elkaar dat de rundveeverordening van 1950 werd geschrapt. De vereniging het Nederlandse Aalstrepen stamboek werd in 1953 opgericht, maar het kwam in de praktijk niet veel verder dan een adresboek. Het NRS erkende de vereniging niet.

De witrik werd echter door een flink aantal boeren voorgezet, als zuivere teelt of gekruist met bonten. Door de laatste praktijk heeft het merendeel van de Nederlands witrikken tegenwoordig veel Holstein dan wel verbeterd roodbont bloed . Maar er zijn ook een aantal veehouders en hobbyisten die rustig doorgaan met het fokken van de oude witrikken. Het aantal witrikken in ons land werd in 1995 door de Stichting Zeldzame Huisdieren geschat op 3000. Daarmee is het een kwetsbare diersoort.

In 2002 is Stichting “de Witrik” opgericht. Ze telt dit jaar 110 donateurs.