21 april 2015 – Over Traditionele Ecologische Kennis

21 april 2015 –  Loek Hilgers (lid Raad van Advies Gilde), op persoonlijke titel, reageert op het schrijven van Kees van Hee getiteld ‘Herders Mat: Traditionele tegen Moderne Herders?’ 

Over Traditionele Ecologische Kennis, het Gilde van Traditionele Schaapherders en het integrale behoud van biodiversiteit in heidelandschappen.

De presentatie van het Gilde van Traditionele Schaapherders veroorzaakte nogal wat ophef. In een artikel, dat verscheen in verschillende dagbladen van de Wegener Pers viel met name de tendentieuze “framing” op. Het volgende citaat: “Op malloten die hun baard laten groeien, een waxjas aantrekken en hun schapen komen uitlaten zit niemand meer te wachten,” schreeuwt natuurlijk om een reactie.

Nog bonter maakte de voorzitter van de VGSN het in zijn – goed bedoelde – ingezonden brief van 1 april jongstleden onder de titel: “Alle schaapherders van Nederland: verenigt u!” Daarin verdedigt hij het succes van de “moderne” grootschalige begrazingsbedrijven. Ook in dit stuk worden traditionele herders weggezet als een sneu overblijfsel uit het verleden. Maar juist met zijn plaatsing in een historisch perspectief, slaat van Hee de plank mis. Voor zijn bewering, dat “traditionele herders” geen natuurbeheerders waren, maar “schapenboeren…. die als kleine nomaden rondtrokken..” bestaat geen enkele historische aanwijzing. De geschiedenis van de schapenhouderij in Nederland is, ondanks recente publicaties over landschapsontwikkeling en historische ecologie in zandlandschappen, nog nauwelijks onderzocht. Voor zover er wat van bekend is, waren herders in Nederland en België sedentair en verbonden met lokale gemeenschappen. Ze werden ofwel aangesteld om de schapen van de gehele dorpsgemeenschap te hoeden en te verzorgen, ofwel ze waren in dienst van grootgrondbezitters zoals abdijen die in de Middeleeuwen grote landbouwbedrijven exploiteerden op zandgronden.

Maar met name de opmerking: “echte traditionele herders waren helemaal geen natuurbeheerders” is volkomen bezijden de werkelijkheid. Nee, ze waren geen geschoolde ecologen, maar met name de herders waren wel belangrijke dragers van wat heden te dage Traditionele Ecologische Kennis  heet – in academische literatuur wordt daarvoor tegenwoordig de afkorting TEK (Traditional Ecological Knowledge) gehanteerd. Zij kenden het landschap waarin ze leefden en werkten op hun duimpje. Ze wisten wanneer en waar ze moesten zijn om hun kudde in optimale conditie te houden. En dat op een zodanige wijze dat het dynamische evenwicht niet verstoord werd, zodat ze jaar in, jaar uit van hetzelfde landschap gebruik konden maken. Voor zover nodig was het gebruik van de “gemene gronden” (gemeijnten, marken etc.) gereguleerd door de gemeenschap, namens welke zij werkten. Door deze traditionele praktijken zijn op onze zandgronden de heidelandschappen ontstaan, waarvan we de schamele restanten tegenwoordig als kostbare parels koesteren (dit zijn vaak Natura-2000-gebieden).

Soms wordt het verdwijnen van de boslandschappen die hier na de ijstijden spontaan ontstonden beschreven in termen van een ecologische ramp. Maar je kunt ook bewondering hebben voor de wijze waarop bewoners en hele dorpsgemeenschappen, al dan niet in wisselwerking met grootgrondbezitters en andere usurpatoren, een dynamisch evenwicht wisten aan te brengen in het hun omringende landschap. In een lange-termijn-perspectief slaagden ze er wonderwel in om een gestadig toenemende bevolking te voeden. En tegelijkertijd wisten ze op de heidevelden (hun graasgebieden), maar ook in beekdalen en op de relatief kleine akkers een verbazingwekkende biodiversiteit tot ontwikkeling te brengen. Traditionele herders en heideboeren beheerden een duurzaam, veerkrachtig en productief ecosysteem. Het staat inmiddels wel vast dat de gevarieerde gebieden van de historische “heidelandbouw” meer soorten planten en dieren herbergden dan het relatief soortenarme eiken- en berkenwoud dat na de ijstijden grote delen van het zandlandschap bedekte. Recente inzichten met betrekking tot het behoud van biodiversiteit benadrukken het belang van strategieën om plaatsgebonden kennis en ervaring te bewaren en in te zetten; met name waar het gaat om landschappen met een lange culturele traditie zoals de heidelandschappen van Noordwest-Europa. Research naar en literatuur over TEK en “Community Based Conservation” (CBC) is vaak gericht op situaties in ontwikkelingslanden die een snelle industrialisatie en schaalvergroting meemaken. Maar de verworven inzichten zijn goed toepasbaar in de West-Europese context, zoals bijvoorbeeld blijkt uit publicaties van Stephan Barthel en Kenneth Olwig. Er lijkt In Nederland een merkwaardig verschijnsel te zijn opgetreden. Bij het opkomen van de natuurbeschermingsgedachte bestond vrijwel van meet af aan het idee dat er reservaten moesten worden gesticht waaruit menselijke invloed zo veel mogelijk moest worden geweerd; een opvatting die tegenwoordig wordt aangeduid als  “land sparing”. De leidende gedachte was dat volledig “wilde” natuur de grootste soortenrijkdom zou herbergen. Dat leidde er onder meer toe dat herders vanaf de eerste decennia van de vorige eeuw vaak niet meer welkom waren op de gestichte heidereservaten.

Elders heeft men dat anders aangepakt. Op de Lüneburger Heide bijvoorbeeld, het oudste Nationale Park in Duitsland (gesticht in 1901) is het beleid vanaf het begin af aan gericht geweest om herders, c.q. heideboeren die dit soortenrijke landschap gevormd hadden, bij het beheer te blijven betrekken. Zij voeren als kleine ondernemers het noodzakelijke graaswerk uit. Ze verdienen hun brood met verschillende activiteiten die variëren van natuurbeheer en voedselproductie tot toerisme. Het proefschrift van Jan Jansen (2011) toont aan, dat het traditionele beheer door schaapherders en heideboeren in Serra da Estrela (Portugal) met name voor de biodiversiteit effectiever en efficiënter is dan het “moderne” en “rationele” beheer van de Nederlandse Natura-2000-gebieden. En daar kunnen lokale boeren en herders ook nog een inkomen verwerven (al staat ook daar het traditionele systeem onder druk, o.a. door Europese regelgeving). Het resultaat is in beide gevallen een duurzaam behoud van de totale biodiversiteit; een benadering die wordt aangeduid met “land sharing”.

Natuurlijk gaat iedere vergelijking ergens wel mank. We hebben in Nederland, met onze notoire bio-industrie, meer last van verzuring en vermesting dan Portugal. De lokale beheerboerderij op de Lüneburger Heide, de “Landschaftspflegehof Tuetsberg” is bovendien ook niet bepaald een kleinschalige onderneming. Maar een les die we kunnen leren is dat het goed oppakken van TEK en het aanpakken van het beheer op de schaal van het totale landschap met zijn verschillende, maar functioneel samenhangende onderdelen meer resultaat oplevert dat het omheinen van vaak kleine, geïsoleerde reservaten en het steeds maar weer bedenken en toepassen van nieuwe technieken (integrale jaarrondbegrazing met exotische koeien, visgraatplaggen, bekalken, etc.). In onze benadering kan juist een lokale herder of heideboer een sleutelrol spelen. En dat heeft niets te maken met nostalgie, romantiek of mallotigheid maar met een goed gebalanceerd beheer van de bioculturele refugia die onze Natura-2000 gebieden op de zandlandschappen in feite zijn.

LH