Geschiedenis

Het Maas-Rijn-IJsselvee werd ontwikkeld in het gebied tussen de Maas, Rijn en IJssel. Hierom heeft het ras deze naam gekregen.

MRIJ-vee, ras met een lange geschiedenis
Het MRIJ-vee vindt zijn oorsprong in het landras, dat van oudsher thuis was op de vruchtbare gronden langs de grote rivieren in het oosten en zuiden van Nederland. Omschrijvingen uit het midden van de 19e eeuw spreken van een rund, dat aan een goede melkgift ook geschiktheid voor de vetweiderij paarde. Het bezat regelmatige vormen en maakte een gezonken indruk. De haarkleur was overwegend roodbont. Dit vee werd in Gelderland en Overijssel graag gekocht door de boeren uit het Munsterland ter verbetering van hun eigen Munsterse vee. Als eerste stamvader staat omschreven de gemeentestier van Berghem bij Oss, gekocht in 1837 of 1838 uit de beste roodbonte veestapel van Freule van Rechteren van Appeltern in Appeltern (Maas en Waal). Deze stier dekte 12 jaar in Berghem en zijn nakomelingen verspreidden zich over de gehele Maaskant.

Begin vorige eeuw
Het bekende onderzoek van Iman van den Bosch in 1906 zorgde ervoor, dat de Nederlandse veestapel voortaan in drie rassen kon worden onderscheiden: het zwartbonte Fries-Hollandse vee (FH), het roodbonte Maas-Rijn-IJsselvee (MRIJ) en het blaarkop Groninger vee (G).
De geschiktheid voor melk- en vleesproductie werd bij de roodbonten omschreven als 50:50 en bij de zwartbonten als 70:30. Het vee in het Land van Cuijk week toen iets af van het IJsselvee, doordat het wat zwaarder en breder was. Blessen kwamen oorspronkelijk vooral in Brabant voor.
Het MRIJ-vee verbreidde zich in de jaren hierna sterk over de gemengde bedrijven op de zandgronden in het oosten en zuiden van ons land. Het was aangepast aan een soberder rantsoen en had minder last van veeziekten zoals tuberculose. Voor de verwerking van veel volumineus voer werd gefokt op een ruime en diepe rompbouw.

Van groot belang werd de aankoop van een aantal IJsselstieren rond 1915 door de fokverenigingen in het Land van Cuijk. Hieronder was de stier Sjoerd, die in Beers dekte en daar zijn voornaamste zoon Sjoerd 1 verwekte. Het Sjoerd-bloed werd al snel toonaangevend in het zuidelijke fokgebied. In de jaren rond 1930 gingen omgekeerd een aantal stieren van het zuiden naar het oosten, die het Sjoerdbloed in de Gelders/Overijsselse fokkerij brachten. Deze stieren beïnvloedden op hun beurt de IJsselfokkerij in sterke mate.
Even later zorgde de stierenlijn van de in Limburg gefokte Jumbo, zoon Prins 5815 en kleinzoon Stina 3’s Prins voor nieuwe hoogtepunten in de zuidelijke MRIJ-fokkerij.
In 1941 werd de IJsselstier Prins 7055 geboren, die van grote invloed zou worden op de fokkerij in Gelderland/Overijssel.

In de jaren ’40
In de veertiger jaren van de vorige eeuw was het type van de roodbonten in zuid en oost wat meer uit elkaar gegroeid. Op de NRS-tentoonstellingen vanaf 1954 prevaleerde het type van Gld/Ov., wat vooral terug te voeren was op de invloed van Prins 7055, inclusief de lichtbonte haarkleur. Gedurende een periode van 25 jaar zouden de KI-verenigingen in het oosten geen stieren uit het zuiden aankopen, terwijl dit omgekeerd wel het geval was.
In deze periode maakte de in Olst geboren Gustaaf furore met zijn talrijke nafok. Hij leverde productieve dochters, die lang door groeiden vanwege hun laatrijpheid.

Rond 1965 had het gemengde bedrijf zijn langste tijd gehad en begon de groei naar grotere eenheden. De ligboxenstal deed zijn intrede evenals de snijmaïsteelt. De KI speelde hierop in door een sterkere selectie op melkproductie en uiervorm door te voeren. Dit had tot gevolg dat de melkproductie op precies hetzelfde niveau kwam als bij de zwartbonten, terwijl het eiwitgehalte in de melk een snellere stijging kende. Dank zij de hogere kalver- en vleesprijzen was ook de post omzet en aanwas op de bedrijven met MRIJ-vee van economisch groot belang.
Dr. Stef van Dieten kon in het jaarverslag over 1972 van de KI-vereniging De Kempen dan ook schrijven: ‘Het MRIJ-ras is duidelijk in de lift. De belangstelling voor het roodbonte MRIJ-ras in binnen- en buitenland neemt sterk toe. Men mag zeggen dat het een voorrecht is om een stal van dit excellente melk-vleesras te bezitten.’

Succes voor het MRIJ-vee
Van jaar tot jaar namen de verrichte inseminaties toe. De grootste omvang werd bereikt in 1984, toen in dat jaar iets meer dan 650.000 eerste inseminaties van MRIJ-stieren werden verricht.
Begin 1980 maakte de uitstekende productievererver Prins 2 van KI Land van Cuijk furore. Hij kreeg als internationaal stiervader ook in Duitsland en België veel invloed.
Alva 4, achterkleinzoon van Gustaaf, van KI Gelderland werd rond 1980 de meestgebruikte MRIJ-stier aller tijden met ruim 350.000 eerste inseminaties. Hij bleek achteraf helaas in zijn proefperiode overschat te zijn.

MRIJ krijgt zware concurentie
Rond 1980 deed ook de (Red) Holstein-Friesianfokkerij haar intrede in de roodbontfokkerij.
In het begin nog aarzelend, maar dit veranderde toen de KI-verenigingen beter aan het fokdoel op de roodbonte bedrijven aangepaste stieren beschikbaar kregen. Aanvankelijk speelden enkele halfbloedstieren een hoofdrol rond 1987, later gevolgd door een viertal stieren die uit een van oorsprong MRIJ-moederlijn voort waren gekomen. Dit had tot gevolg, dat binnen 10 jaar tijd het aantal inseminaties met zuivere MRIJ-stieren terugliep tot 10 % van de vroegere omvang.

En toen werd het stil rond MRIJ. Het NRS stapte bij de fokwaardeschatting van de stieren zelfs af van de MRIJ-standaard, zodat het ras op termijn afgeschreven leek. In deze tijd onstond nieuwe actie: de MRIJ-studieverenigingen in Zuid en Oost werden opgericht. Het is vooral aan de vasthoudendheid van Hans Huijbers, de latere voorzitter van CR Delta, te danken dat de roodbontveehouders weer bruikbare handvaten kregen. In 1996 werd een nieuwe MRIJ-standaard ingevoerd met daarnaast de roodbontstandaard voor de stieren met overwegend (R)HF-bloed. Tegelijkertijd zette Holland Genetics een goed doordacht fokprogramma voor MRIJ op poten, waarvan de gunstige resultaten niet uitbleven. Even later kwam er steun uit onverwachte hoek. Uit boekhoudresultaten bleek bij een gegeven bedrijfsomvang het saldo per 100 kg melk op MRIJ-bedrijven gemiddeld genomen zelfs wat hoger te zijn dan op HF-bedrijven. Het grotere aantal dieren, waarmee het quotum volgemolken werd, bleek geen hogere voerkosten per 100 kg melk te geven, maar wel gunstig uit te werken op de post omzet en aanwas.Met de economische basis van MRIJ was dus niets mis, ook al werd daarover aanvankelijk slechts mondjesmaat gepubliceerd.

Opleving MRIJ-fokkerij
Na de eeuwwisseling groeide voor MRIJ het perspectief. Zijdelings had dit te maken met de populariteit van de in Limburg gefokte Kian, de topper uit het roodbonte programma, die de goede hoedanigheden van de beide uitgangsrassen in zich wist te verenigen. Hij vormde met een kwart MRIJ-bloed een uitzondering in zijn tijd en was via zijn vader Andries een achter-achterkleinzoon van Alva 4, die hij nog voorbij streefde in het aantal inseminaties, met name ook door een aanzienlijk gebruik bij zwartbonte koeien. Twintig jaar geleden had niemand kunnen denken, dat MRIJ-genen een bijdrage zouden gaan leveren in menige zwartbonte veestapel.

‘MRIJ is een goed ras, daar moeten we zuinig op zijn’ was een uitspraak van foktechnicus Henk Verheij van CRV in 2009. Kort daarop verhoogde CRV de voorraad sperma aan te leggen per MRIJ-stier. Gebleken was, dat de beste MRIJ-stieren ook bij roodbont en zelfs hier en daar bij zwartbont vee in trek kwamen. Het gevolg was, dat er van zo’n stier minder sperma beschikbaar bleef voor de eigen MRIJ-bedrijven.
Goede eigenschappen MRIJ in trek
Tegenwoordig worden jaarlijks ca. 50.000 inseminaties verricht met sperma van MRIJ-stieren.
Gedeeltelijk is dit voor de zuivere teelt in het eigen ras, gedeeltelijk ook voor kruising.
Wat bijzonder de aandacht trekt bij de MRIJ van nu is het hoge eiwitgehalte in de melk. Daarnaast is het vooral een prettig te managen koe, ook in grotere veestapels, vanwege
de gunstige vruchtbaarheid en het gemakkelijk afkalven, en die minder vaak de dierenarts nodig heeft. Het beter in conditie blijven tijdens de lactatie is een eigenschap die door de jaren heen bij het MRIJ-ras bewaard is gebleven en die op de dag van vandaag nog zijn waarde bewijst.