Oorsprong

Algemeen wordt verondersteld dat de Groninger Meeuw aan het eind van de 18e eeuw is ontstaan op het Groninger grondgebied uit zwaardere Friese Hoenders dan die we nu kennen, die destijds nog donkerbruine ogen bezaten, en de Duitse Oostfriese Meeuw. www.ostfriesische-möwen.de Uit de inventarisatie van R. Houwink in 1888,  tijdens een tocht door Noord-Nederland, wordt voor het eerst gedocumenteerd melding gemaakt vaneen grofgepeld zilver- en goudpel getekend landhoen op de markt in de stad Groningen, die groter was dan het Friese en Drentse hoen. Op het Groningse platteland trof hij echter bijna geen Groninger Meeuwenmeer aan.   De “Maifies” zoals ze lokaal werden genoemd, waren vrijwel geheel vervangen door buitenlandse rassen als de leghorn.   De eerstvolgende melding wordt gemaakt in 1913 waar eieren van Groninger Meeuwen of Friese Zilverpellen werden aangeboden. In 1916 zijn Groninger Meeuwen te zien op een tentoonstelling in Winschoten waarbij het Groninger hoen en de Friese Hoenders één klasse vormen.   In 1918 schrijft Van Gink ”Alles wat we hier zeiden over de Oostfriese Goud- en Zilvermeeuwen geldt ook voor de Groninger Meeuwen, welke beide rassen geheel aan elkaar gelijk zijn”. Tenslotte wordt in 1919 de Groninger Meeuw officieel erkend. Ondanks de erkenning bleef de Groninger Meeuw een zeldzame verschijning op tentoonstellingen.   Eind 1950 wordt uit een goudpel Oostfriese haan de goudpelvariant gefokt. Maar het blijft tobben met de Groninger Meeuw. In 1969 schrijft J.L. Meijer in het blad Avicultura “Raken Groninger Meeuwen uit de belangstelling?” De officiële erkenning van de Groninger Meeuwkriel in goud- en zilverpel vond in 1968 plaats. De kleurslag citroenpel bij de krielen zijn in 1995 erkent, en de erkenning van de kleurslag citroenpel bij de groten is in 2008 een feit geworden.

Uit: de Groninger Meeuw

door Bert Mombarg