Ontwikkeling fokdoel

In de loop van de geschiedenis is het Groninger paard voor verschillende doeleinden ingezet. Het ras maakte een ontwikkeling door van koetspaard naar ploegpaard naar (landbouw)rijpaard. Deze ontwikkeling is terug te vinden in het fokdoel van het Groninger paard door de tijd.

Paardenkeuring 28 augustus 1920 te Groningen, door Otto Eerelman

Paardenkeuring 1920 te Groningen, door Otto Eerelman

In de huidige fokkerij streven we naar het veelzijdige landbouwrijpaard, zoals dat begin jaren ’50 voorkwam. Verder moeten onze paarden klasse hebben: uitmunten in kwaliteit, hardheid, uithoudingsvermogen en gestel. Uithoudingsvermogen, omdat ze in de borstkas veel ruimte hebben voor hart en longen (diepte). In verhouding lijken ze daardoor wat kortbenig.  En natuurlijk hebben ze een werklustig temperament. 

Harm Migchels (voormalig inspecteur): “Het landbouwrijpaard van begin vijftiger jaren is het Groninger paard zoals ik het graag zie. De vier driejarige modelmerries van de Nationale keuring (2012) zijn daar volgens mij een voorbeeld van. Dit type paard is geschikt voor ploegen en rijden onder het zadel. Dat beeld hebben we nodig voor de toekomst. Natuurlijk zijn er op elk paard op- en aanmerkingen te maken, maar ze vertegenwoordigen het gewenste type met pijpomvang en borstomvang. Het gaat daarbij wel om de verhoudingen, niet om de precieze maten.” (uit: jubileumuitgave verenigingsblad 2012)

Jubileumkeuring 2012

Op de nationale keuring van de vereniging tijdens het 30-jarig jubileum  in 2012 verschenen vier driejarige merries in de ring. Ze kregen een 1e premie en werden allemaal model verklaard. Het was daarmee de Koninginnenrubriek van de keuring.

Modelmerrie Bertine (v. Bascal) als 3-jarige (fotograaf: Esmee Blom)

Bertine (v. Bascal)

Gerline (v. Gerlinus)

Jelke (v. Mats)

Maartje (v. Mats)

Kampioenenparade

Neem ook eens een kijkje in de eregalerij van onze keuringskampioenen. Want welk paard geeft een beter beeld van het fokdoel dan een kampioen?


 Omschrijvingen van het fokdoel

1898 Zoveel mogelijk het type van een elegant, solied gebouwd koetspaard, met vierkante, hoge, krachtige, vooruit grijpende gangen (GrPS)
1933 Zoveel mogelijk het type van een kortbenig, zwaar, sterk en mooi gevormd landbouwtuigpaard, met beste, krachtige en vierkante gangen (GrPS)
1948 Harmonisch sterk en edel gebouwd; mak, willig en trouw; sterke, gave benen; goede voeten; ruime stap en vlotte draf; groot uithoudingsvermogen; onverslijtbaar; sober in onderhoud; grote veelzijdigheid (NWP)
1951 Fundamenteel een fors en mooi gelijnd paard van klasse met hoeken (geprononceerde kwartieren), edel en vooral sterk gelijnd (beste lendenen en rugspieren), een goede breedte en diepte, sterke spierbundeling, een mooi-edel hoofd met eerlijke ogen (voor de hengst een hengstenkop en bij de merrie een teerder gezicht), voor alles harmonie in de totaalbouw, het beenwerk droog, fors ontwikkeld en met staal erin, de gewrichten royaal, punten aan de hakken, de knie eruit, goede voeten, goede standen, karakter in de benen, vooral in de achterbenen, een breed achterpijpbeen en een machtig spronggewricht, de staart graag rechtuit gedragen, de beweging soepel, harmonisch, een natuurlijk evenwicht, de beweging voor en achter tot een eenheid versmolten, geen hoge steppeur, een beweging die vlot- natuurlijk is, in rechtvoorwaartse richting met enige buiging (vering wel in de koten), de hals goed aangezet en behoorlijk lang, niet overdreven lang, de schoft er behoorlijk uit (R.A. Maarsingh – NWP)
1960 Een mooi gelijnd niet te zwaar paard, geschikt voor de landbouw en om op te rijden, met een mooie voorhand en goede gangen (VLN-Gronings type)
1985 Een zwaar warmbloed paard met een krachtige, gespierde bouw; met een sprekend hoofd; een gespierde, goed gedragen hals; voldoende schoft en een niet te steile schouder; een brede en dikke romp; ronde welving der ribben; massief beenwerk; korte en sterke pijpen en ruime harde voeten. De stap is ruim en sterk; de draf vlot en ruim. Het temperament is rustig (vGrP)
Heden Een zwaar, lang gelijnd warmbloed paard met een krachtige bouw, een sprekend hoofd, een gespierde middellange hals, voldoende schoft die soepel overgaat in een niet te lange sterke rug, een tamelijk schuine schouder, een brede en diepe zwaar gespierde romp, ronde welving der ribben, een zwaar ontwikkelde achterhand, massief beenwerk met platte pijpen en ruime harde voeten. Het temperament is gelijkmatig en toch voldoende levendig. Het paard is sober en werkwillig (vGrP)