Geschiedenis

De geschiedenis
Lakenvelder getekende runderen bestaan al heel lang. Dit is te lezen in de ‘Chronicam Bohemarium’, in de 12e eeuw geschreven door Cosmas Pragenis. Deze persoon beschrijft (vrij vertaald): “ De leider was aan het ploegen met twee verschillende ossen, waarvan de één een brede witte band om het lichaam had en een witte kop, terwijl de andere een witte streep over de rug bezat en voorzien was van witte benen.
De eerste afbeelding van een rund met een laken die bekend is, is een schilderij dat dateert uit de periode 1430-1450. Het schilderij is getiteld: “The adoration of the child”. Het laat een rood gelakende os bij een altaar zien. Op dat altaar ligt een kind. Om het kind heen staan diverse mensen met de handen gevouwen het kind te aanbidden. Links op het schilderij ligt een ezel en daarnaast is de rood gelakende os bezig met opstaan. (Voor degenen die het doek met eigen ogen willen bewonderen: het hangt in het Stiftsmuseum in Klosterneuburg, Oostenrijk.)
Wat we uit het bovengenoemde op schriftgestelde en het schilderij kunnen concluderen is dat er al eeuwen Lakenvelders rondlopen op deze aardbol. Hiermee wordt het er niet eenvoudiger op om de oorsprong van deze zeldzame aftekening te verklaren. Immers als er pas enkele jaren gelakende runderen zouden bestaan, konden we veel gemakkelijker terug redeneren. Nu kunnen we slechts gissen naar het ‘ontstaan’ van het laken.
Op heel de wereld komen heden ten dage runderen met een laken voor. Bij een groot aantal van deze runderen gaat het om een soort uitzondering binnen een bepaald ras. Wij in Nederland echter benoemen de Lakenvelder al eeuwen als ras apart. Dit heeft het rund te danken aan het feit dat er al eeuwen doelbewust gefokt wordt op aftekening en andere specifieke lakenveldereigenschappen binnen de populatie. Al in de 17e eeuw (en waarschijnlijk nog wel eerder) liepen er in ons land lakenvelders rond. Deze waren ‘ontstaan’ door selectief fokken. Het is niet waarschijnlijk om aan te nemen dat deze dieren direct van het oude, wilde vee afstammen.
Toen de 80 jarige oorlog ten einde liep (rond 1642) tekende een zekere Francois Ryckhals met potlood op perkament een Lakenvelder koe in een Zeeuws landschap. Helaas is dit perkament niet in ons land te bezichtigen. Het hangt namelijk in het Herzog Anton Ulrich Museum in Braunschweig (Duitsland). Aan het einde van de zeventiende eeuw schilderde de Nederlandse schilder Cornelis Huysmans een zwarte Lakenvelder in één van zijn Hollandse landschappen.

In 1772 werd de “Belted Cow” door de “Oxford English Dictionary” als volgt beschreven: “Black cattle of Dutch origin, with a broad band of white round the middle.” Dit kan vrij vertaald worden als: “Gelakend vee is: zwart vee van Nederlandse origine, met een brede witte band rond de middenhand.” 250 jaar na dato is dit fokdoel nog altijd actueel. Daarnaast waren (en zijn) de Engelsen ervan overtuigd dat de aftekening van origine uit Nederland komt. Aangezien de registratie van dieren in die tijd nog niet geheel precies was, mag er mede op basis van deze bron van worden uitgegaan dat de Lakenvelder een echt Nederlands ras is.
De eerste letterlijke beschrijving van Lakenvelders die nog bestaat, dateert uit 1796. In dat jaar beschrijft de heer J. le Franq van Berkhey in zijn boek ‘Natuurlijke Historie van Holland’ (toen al was de Lakenvelder historie van Holland), het volgende: “De witlakense koe is een bijzonder ras, dat namelijk geheel zwart is, doch over het middenstel spierwit, zoo dat het schijnt alsof men een wit laken over een zwarte koe heeft gespreid. Dit soort is vrij raar (zeldzaam), men ziet ze niet gemeen (algemeen). Evenwel heb ik er in eene weide bij Noordwijk-Binnen eens 4 fraaye bijeen gezien, met nog andere bijkomenden zoo dat ik gisse, dat de boer hier een ras zocht aan te fokken. In eene weide bij Wilnis onder het Sticht van Utrecht liep in den jare 1796 eene geheele koppel van 15 of 16 koeyen met eenen stier.”

In 1805 meldt de heer Le Franq van Berkhey, dat: “witlakense koeien vrij zeldzaam zijn en dat ze ook wel kraamkoeien genoemd worden.” De naam kraamkoeien kwam voort uit het feit dat wanneer er een boeren kraamvrouw overleed, zij dan met een wit laken op haar zwarte baar begraven werd.

Na de Franse overheersing (1795-1813) begon de heer Joannes Petrus van Rossum gronden aan te kopen tussen Huizen en Naarden in het Gooi. In de daarop volgende jaren stichtte hij daar de Landgoederen Zandbergen en Valkeveen. Uit het boekwerkje : “Tussen Zandbergen en Valkeveen” blijkt dat Van Rossum zich ook bezig hield met een veestapel: “De koeien zijn zo gevlekt, dat het lijkt of er een wit dekkleed over hun rug ligt “. Klara, een rode Lakenvelder (van de heer Van Rossum) heeft jarenlang in de Touwenkamp langs de Huizerstraatweg gelopen. De geboorte van haar grote kalf van 180 pond was een bijzondere gebeurtenis, en is in 1820 zelfs beschreven in het tijdschrift “De Buitenman”.

In de 19e eeuw werd het houden van Lakenvelders, met name in aristocratische kringen mode. (Er waren toen ongeveer 1000 lakenvelders in Nederland). Het vee werd in die tijd dan ook voornamelijk gehouden vanwege de unieke aftekening. Met het fokken werd hier dan ook zeer scherp opgelet. Uit deze tijd stamt ook de bijnaam van de Lakenvelders: het parkrund. Opvallend is dat de Lakenvelder in die tijd over vrijwel geheel Nederland verspreid is.
In 1833 komt in Frankrijk een prent van de drukpers, waarop getekend/geschilderd een zwarte Lakenvelder stier met aan de achterpoten twee witte sokjes. Deze prent heeft als ondertiteling : “Race Hollandaise”.

In 1854 schildert de Nederlandse schilder Marius Adrianus Koekkoek een doek, waarop zowel een rode als een zwarte Lakenvelder koe voorkomt.

Uit een publicatie van Vondelpark – Eten en Drinken wordt het volgende opgetekend: “In het Vondelpark in Amsterdam staat het zogenaamde “Groot Melkhuis”. De geschiedenis van dit Groot Melkhuis gaat terug tot 1874. Toen was het een boerderij met koeien, die graasden op de weiden in het gebied van het Vondelpark. Mooie koeien waren het, een oud ras, dat men tegenwoordig maar zelden meer ziet : Lakenvelders. Zwarte koeien met een wit dek.”

Het eerste en mogelijk laatste internationale keuringssucces van de Lakenvelder dateert uit 1884. in dat jaar werd in Amsterdam een internationale vee tentoonstelling gehouden, waarbij de winnaar bij de tweejarige stieren IJhorst 1 was. IJhorst 1 was een prachtige Lakenvelder stier van W. ter Haar uit Staphorst.

In 1886 wordt ‘The herdbook of the Dutch Belted Cattle Association in America’ opgericht. Vanaf halverwege de 19e eeuw had een aantal mensen Lakenvelders vanuit Nederland naar de VS geïmporteerd. In het stamboek verenigden fokkers zich om tot verbetering van de Lakenvelder in de VS te komen. Het stamboek bestaat tot op de dag van vandaag (meer info zie: www.dutchbelted.com).

De eerste ansichtkaart van Lakenvelders stamt uit 1888. Deze is gefotografeerd en uitgegeven door Fa. A. Vissers te ’s Graveland. De kaart kreeg als ondertitel mee : “Lakenveldsche koeien van A. van Kesteren, Emmaweg in Kortenhoef “. Het is een fraaie foto geworden, waarop een vijftal, kennelijk zwarte Lakenvelders, met mooie brede lakens.

In 1918 dreigde voor de Nederlandse populatie Lakenvelders een ramp. Door de massale ruimingen in verband met een tuberculose-bestrijding, leek de genetische basis van de overgebleven lakenvelders nauwelijks breed genoeg om het ras in stand te houden. Daarom trachtte schoolmeester en publicist Engelbert van Muilwijk een stamboek op te zetten om de overgebleven Lakenvelderfokkers samen te laten werken voor het behoud van het Lakenvelderras. Op dat moment waren er in Nederland nog slechts 300 dieren die enigszins op een Lakenvelder leken. Het aantal zuiver getekende exemplaren was bijna op de vingers van een hand te tellen. In 1931 werd het stamboek echter weer opgeheven, de Lakenvelderfokkers bleken te eigenzinnig om vruchtbaar samen te kunnen werken.
In 1950 dreigde de Lakenvelder voor de tweede keer in zijn geheel uit te sterven. Er werd in dat jaar een rundvee verordening uitgevaardigd die inhield dat alleen door een stamboek erkende stieren voor de fokkerij gebruikt mochten worden. Daarmee viel de Lakenvelder buiten de boot: van dat ras was immers geen stamboek meer. Deze speciale verordening werd in 1959 weer afgeschaft, maar het had niet veel gescheeld of we konden Lakenvelders tegenwoordig slechts op plaatjes van vroeger bekijken.
De eigenzinnigheid van de Lakenvelderfokkers, die het stamboek van de heer Van Muilwijk fataal werd, sleepte het ras er in dit geval doorheen. Er waren namelijk enkele veehouders geweest die toch stiekem een Lakenvelderstier aanhielden en gebruikten voor de fokkerij.
Rond 1960 waren het met name enkele beroepsveehouders die het ras in stand hielden. De adel met haar landgoederen was min of meer verdwenen en veehouders die het ras als melkvee gingen houden, namen het stokje over.
In 1976 werd de Stichting Zeldzame Huisdierrassen (SZH) opgericht. Deze stichting stelde zich ten doel om de oude, zeldzame, Nederlandse landbouwhuisdieren in stand te houden door middel van inventarisatie en registratie van individuele dieren van de (nog bestaande) rassen. Het zal u niet verbazen dat de Lakenvelder ook onder de zeldzame huisdierrassen viel. Op het moment dat de SZH van start ging, waren er in Nederland nog 323 dieren. Daarvan waren er 60 met een correcte aftekening, 34 eenkleurig maar wel van Lakenvelder origine en 7 hoornloze dieren. (Een eigenschap die er ooit in gefokt is door het gebruik van een Belted Galloway stier.) In die tijd was driekwart van de dieren zwart, de overigen waren rood.
Vanaf 1979, toen de ‘Fokkersclub voor Lakenvelders’ werd opgericht, nam het aantal runderen en de kwaliteit ieder jaar wat toe. In de beginjaren van de Fokkersclub verdwenen de Lakenvelders bij de beroepsveehouders om economische redenen uit beeld. Door natuurorganisaties en hobbyboeren werd de lakenvelderfokkerij voortgezet. Zo werden de Lakenvelders weer wat ze aan het begin van hun lange ‘carrière’ ook waren: parkrunderen.
In 1997 werd de Fokkersclub voor Lakenvelders omgezet in de Vereniging Lakenvelder Runderen (VLR). Een vereniging met officiële statuten en een huishoudelijk reglement. De VLR heeft een Europese erkenning om stamboekregistratie te voeren.
Inmiddels zitten we aan het begin van de 21e eeuw en is er nog steeds veel gaande. Qua aantal en kwaliteit van de dieren zet de trend die sinds de oprichting van SZH en de Fokkersclub voor Lakenvelders (en later dus VLR) is ingezet zich door. Er is in de afgelopen jaren sprake geweest van een continue stijgende lijn, een positieve ontwikkeling.
Toch zijn er in de afgelopen jaren ook zaken veranderd. Zo zien we dat er weer, met name biologische, melkveehouders zijn die het in het oude ras zien zitten en met name vanwege hun goede manier van omgang met (ruw)voer gedeeltelijk of geheel overstappen op Lakenvelders. Er is ook weer een categorie fokkers afgehaakt. Op dit moment bezit geen van de grote natuurorganisaties in Nederland nog Lakenvelders. Dat is jammer. Immers, cultuurbehoud is meer dan een kerk, een schilderij een oude molen of een landhek. Lakenvelders zijn een wezenlijk onderdeel van de Nederlandse plattelandscultuur en zullen dat hopelijk ook altijd blijven. Er dient echter wel vermeld te worden dat enkele natuurorganisaties Lakenvelders van particuliere eigenaren inscharen voor de begrazing van hun natuurgebieden. En uiteraard zijn wij de natuurorganisaties dank verschuldigd voor hun inzet, met name in de loop van de twintigste eeuw.
Tot slot van deze beschouwing over de geschiedenis, een blik in de toekomst. Het is moeilijk vooruit te kijken, maar wij zien de toekomst met vertrouwen tegemoet. Oude rundveerassen en met name de Lakenvelder krijgen binnen de moderne opvattingen over het platteland steeds meer aandacht. Dit heeft te maken met diverse ontwikkelingen die ook buiten het platteland plaats vinden.
De kop is nog niet definitief door het halster, het blijft altijd oppassen, maar we zijn op de goede weg. Als we er met elkaar serieus aan blijven werken, dan kan men in ons land nog net zo lang van Lakenvelders genieten als er gras in de wei staat, en dat is hopelijk nog heel lang. Diversiteit in vee is van levensbelang voor onze voedselzekerheid. De VLR doet er alles aan om het unieke genetische eiland de Lakenvelder in stand te houden. Veel leden doen hier met veel plezier aan mee en zo kan het dat het nuttige met het aangename gecombineerd wordt binnen de VLR
De Lakenvelder en Nederland zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wat zou het mooi zijn als IJhorst 1 ooit een opvolger krijgt.